Advocaten

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8076589 VZ VERZ 19-18260

uitspraak: 20 december 2019

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CTT Rotterdam B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

gemachtigde: mr. V.Y. Merkestein,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.D. Nanhoe.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘CTT’ en ‘ [verweerder] ’.

1

Het verloop van de procedure

1.1

Van de volgende processtukken is kennisgenomen:

  • het verzoekschrift, met producties, ontvangen op 1 oktober 2019;

  • het verweerschrift, met producties;

  • de bij dagvaarding in onderstaande kortgedingprocedure overgelegde producties, voor zover daarnaar in het verweerschrift wordt verwezen.

1.2

Op 29 november 2019 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden, gelijktijdig met de mondelinge behandeling van het kort geding in de zaak van [verweerder] tegen CTT (zaaknummer 8115147 VV EXPL 19-461). Ter zitting zijn aanwezig geweest enerzijds namens CTT [naam 1] en mr. Merkestein en anderzijds [verweerder] in persoon, bijgestaan door mr. Nanhoe. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken.

1.3

De datum van de uitspraak van de beschikking is bepaald op 20 december 2019.

2

De feiten

2.1

CTT exploiteert een terminalterrein voor op- en overslag van containertransport. CTT heeft naast Rotterdam vestigingen in Almelo en Hengelo en heeft in totaal 80 à 90 werknemers. In Rotterdam zijn ongeveer 20 mensen werkzaam. De directie van CTT bestaat uit [naam 2] , algemeen directeur, [naam 1] , operationeel directeur en [naam 3] , commercieel directeur.

2.2

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] en thans 61 jaar oud, is op 1 december 2016 in dienst getreden van CTT als managing director. Bij aanvang van het dienstverband bedroeg het overeengekomen brutoloon € 5.000,- per maand.

2.3

Onder punt 10. van de arbeidsovereenkomst is opgenomen: ‘Bijzondere bepalingen: jaarlijks keren wij in oktober een bonus uit van drie bruto maandsalarissen.’

2.4

Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer van toepassing hierna: CAO). De CAO kent een functiewaarderingssysteem met bijbehorende loonschalen A tot en met H. [verweerder] is hoger ingeschaald dan de in de CAO genoemde loonschalen. In de CAO is een stapsgewijze loonsverhoging opgenomen van respectievelijk 2% per 1 juli 2017, 2% per 1 januari 2018 en 2% per 1 januari 2019.

2.5

Het salaris van [verweerder] is per 1 juli 2017 en per 1 januari 2018 met 2% verhoogd. Per 1 mei 2018 is het salaris verhoogd naar € 5.750,- bruto per maand.

2.6

Begin oktober 2018 heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen [verweerder] en [naam 1] waarbij [verweerder] kort gezegd de werkdruk, van zowel hemzelf als het overige personeel op de locatie Rotterdam, heeft aangekaart.

2.8

In een e-mailbericht van 11 oktober 2018 heeft [verweerder] aan [naam 1] geschreven:

“Beste [naam 1] , Heb de notulen van de MT vergadering d.d. 9 oktober 2018 gelezen, alsmede de wijziging in het management verslag.Je zult begrijpen dat na deze vertrouwensbreuk een gesprek tussen ons geen enkel nut dient. Je hebt me tegenover het totale team nu als leugenaar bestempeld, waarbij ik niet eens de mogelijkheid had om me te verdedigen. (…) ”

2.9

[naam 1] heeft [verweerder] in een e-mailbericht van 5 november 2018 uitgenodigd voor een gesprek op 8 november 2018. Het e-mailbericht luidt, voor zover relevant:

“Beste [verweerder] , in de afgelopen weken een maanden heb jij herhaaldelijk mondeling aangegeven CTT Rotterdam te willen verlaten. (…) Het openlijk ventileren van deze wens leidt tot een onzekere situatie voor het bedrijf en haar personeel, welke niet bevorderlijk is voor de werkatmosfeer. (…) Het herhaaldelijke uitspreken van je frustratie en je ongenoegen in combinatie met de door jou aangegeven vertrouwensbreuk is voor ons een zeer helder signaal om met jou in gesprek te gaan. In dit gesprek willen wij graag bespreken op welke wijze je aan deze wens invulling wilt geven en op welke termijn je deze stappen wilt gaan maken.(…)”

2.10

[verweerder] heeft hierop per e-mail op 7 november 2018 gereageerd, voor zover van belang:

“ (…)

Ik heb meerdere keren aangegeven bij jou dat ik het niet alleen kan en dat het te veel is voor 1 persoon. Jouw reactie hierop was, dat als ik het niet beter kan ik beter een andere baan kon zoeken / opzeggen, blijkbaar is nu jouw wens de vader van de gedachte geworden. Daar van mijn zijde er geen intentie is om CTT te willen verlaten.(…)

Ik sta open voor een gesprek waarin de punten en vooral de operationele aspecten worden besproken, (…) ”

2.11

In het gesprek dat op 8 november 2018 heeft plaatsgevonden, heeft CTT een voorstel gedaan om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. [verweerder] heeft geweigerd in te stemmen met beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

2.12

[verweerder] heeft zich op 9 november 2018 ziekgemeld. CTT heeft laten weten de ziekmelding niet te accepteren. Op 23 november 2018 is [verweerder] gezien door de bedrijfsarts, die verklaard heeft dat [verweerder] volledig arbeidsongeschikt was. Na het spreekuurconsult van 11 februari 2019 adviseert de bedrijfsarts dat partijen op korte termijn met elkaar in gesprek gaan om de ontstane situatie te bespreken en op te lossen om het mogelijk te maken dat [verweerder] weer kan re-integreren in het eigen werk.

2.13

Gedurende de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] is er veelvuldig gecorrespondeerd en hebben er gesprekken plaatsgevonden tussen CTT en (de gemachtigde van) [verweerder] over de beëindiging van het dienstverband.

2.14

Op 21 juni 2019 heeft het UWV geoordeeld dat de re-integratie inspanningen van CTT onvoldoende waren. Per 3 september 2019 is [verweerder] volledig arbeidsgeschikt. Hij heeft sindsdien niet gewerkt.

2.15

In september 2019 hebben partijen getracht hun geschil via mediation op te lossen. Dat is niet gelukt.

3

Het verzoek

3.1

CTT heeft verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen op een zo kort mogelijke termijn zonder inachtneming van de opzegtermijn te ontbinden, primair op grond van een ernstig en duurzame verstoorde arbeidsverhouding (sub g van artikel 7:669 lid 3 BW) en subsidiair op grond van een onoverbrugbaar verschil van inzicht over de inhoud en vormgeving van de functie en over het binnen CTT uit te voeren beleid (sub h van artikel 7:669 lid 3 BW), met toekenning van een transitievergoeding van € 7.647,00 bruto.

3.2

CTT heeft kort gezegd aangevoerd dat de ernstig en duurzame verstoring van de arbeidsverhouding is veroorzaakt door [verweerder] . [verweerder] heeft binnen een jaar na zijn aanstelling herhaaldelijk frustraties en negatieve berichten uitgesproken over CTT en zijn functie-inhoud. Hij stelde geen vertrouwen te hebben in de werkgever. Ook zijn er klachten gekomen vanuit PCC, de grootste klant van CTT. De negatieve houding van [verweerder] heeft geleid tot een verstoring van de werkatmosfeer en collegiale verhoudingen en een gebrek aan draagvlak onder het personeel. [verweerder] toont geen inzicht in zijn eigen bijdrage in het conflict en wijt alles aan CTT. CTT heeft er echter alles aan gedaan om de arbeidsovereenkomst op een nette manier af te wikkelen, maar dat heeft, zelfs na tussenkomst van een mediator, niet tot resultaat geleid. Daarnaast kan [verweerder] zijn functie niet op een daartoe geëigende manier uitvoeren omdat er tussen partijen verschil van inzicht bestaat over de functie en het te voeren beleid.

3.3

Herplaatsing van [verweerder] ligt, gelet op het gebrek aan draagvlak binnen de organisatie, niet in de rede, aldus CTT.

3.4

Bij het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, dient geen rekening te worden gehouden met de opzegtermijn van één maand nu er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding.

4

Het verweer

4.1

[verweerder] heeft verweer gevoerd en primair verzocht het verzoek tot ontbinding af te wijzen. Subsidiair, in het geval de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden, heeft [verweerder] verzocht bij de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn zonder aftrek van de periode die is gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de datum van deze beschikking en aan hem ten laste van CTT een transitievergoeding van € 7.800,45 bruto toe te kennen, alsmede een billijke vergoeding van € 561.632,40, beide bedragen te vermeerderen met rente. [verweerder] heeft daarnaast verzocht om aan hem het achterstallig salaris te voldoen dat is verschuldigd in verband met het niet toepassen van de CAO-loonsverhoging, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, een bedrag van € 61,54 te vermeerderen met wettelijke rente welk bedrag ten onrechte is ingehouden door CTT en een bedrag van € 17.595,- bruto aan bonus over het jaar 2019, vermeerderd met wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Dit alles met veroordeling van CTT in de kosten van het geding.

4.2

[verweerder] heeft aan zijn verweer, en tegenverzoeken, ten grondslag gelegd dat hij in ieder geval tot 8 november 2018 niet bekend was met kritiek op zijn functioneren of klachten van klanten dan wel gebrek aan draagvlak bij het personeel. Ook is hij onbekend met meningsverschillen over het te voeren beleid of het uitvoeren van de functie door hem. Evenmin heeft [verweerder] zich negatief uitgelaten over zijn functie en of CTT. Er is geen sprake van een ernstig en duurzame verstoorde arbeidsrelatie door toedoen van [verweerder] . Vanaf 8 november 2018 heeft CTT volhard in haar standpunt dat de arbeidsovereenkomst zou moeten eindigen, zodat van een poging tot herstel van de verhoudingen, voor zover die al verstoord waren, geen sprake is geweest. Bijna een jaar later heeft CTT een mediator ingeschakeld, terwijl dit al zes maanden daarvoor door de bedrijfsarts is geadviseerd. In de periode vanaf 8 november 2018 heeft CTT daarnaast ten onrechte een loonstop aangekondigd, de toegang tot het werksysteem geblokkeerd voor [verweerder] , niet gereageerd op een vakantie-aanvraag, de CAO-loonsverhoging van 1 januari 2019 ten onrechte niet doorgevoerd. [verweerder] bij herhaling opgeroepen voor een gesprek dat zou moeten plaatsvinden in Hengelo terwijl [verweerder] op dat moment niet kon reizen.

4.3

Als er wel reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst is, ligt herplaatsing in de rede aangezien er geen sprake is van verwijtbaar handelen door [verweerder] .

4.4

Bij ontbinding is een transitievergoeding verschuldigd van € 7.800,45. Er dient te worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 5.865,00. Daarnaast dient er bij de berekening van de transitievergoeding ook rekening te worden gehouden met de bonus.

Daarnaast is een billijke vergoeding van € 561.632,40 verschuldigd, omdat CTT ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en de toezegging ‘van werk naar werk’ niet is nagekomen. Deze vergoeding is gebaseerd op zes jaarsalarissen. Als CTT niet ernstig verwijtbaar had gehandeld, had [verweerder] tot zijn pensioenleeftijd in dienst van CTT gebleven.

4.5

De nevenvorderingen zijn gedaan voor het geval in de kort geding procedure wordt geoordeeld dat deze vorderingen niet spoedeisend zijn. CTT heeft ten onrechte het salaris per 1 januari 2019 niet met de cao-loonsverhoging van 2% verhoogd. Daarnaast heeft CTT ten onrechte een bedrag van € 61,54 op het salaris van [verweerder] ingehouden in verband met brandstof kosten die in het buitenland zijn gemaakt. Tot slot heeft CTT de bonus waar [verweerder] op grond van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst recht op heeft, niet uitgekeerd in oktober 2019. Dit is een bedrag van 3 maandsalarissen, derhalve een bedrag van € 17.595,00 bruto.

5

De beoordeling

5.1

Tussen partijen staat allereerst ter discussie of sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van CTT in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Vooropgesteld wordt dat voor toepassing van deze ontbindingsgrond niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. De omstandigheid dat de werkgever van het ontstaan of voortbestaan van de verstoring in de arbeidsverhouding een verwijt kan worden gemaakt, staat op zichzelf evenmin aan ontbinding op de g-grond in de weg (Hoge Raad 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:220).

5.2

Hoewel [verweerder] primair heeft betoogd dat het verzoek tot ontbinding dient te worden afgewezen, ligt werkhervatting naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de inmiddels ontstane verhouding tussen partijen, niet in de rede. Hiertoe is allereerst van belang vast te stellen dat CTT vanaf 8 november 2018 onverminderd heeft aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Ondanks het feit dat [verweerder] een periode arbeidsongeschikt is geweest, heeft in de tussentijd veelvuldig contact plaatsgevonden tussen CTT en (de gemachtigde van) [verweerder] . Dat contact heeft, ondanks dat namens [verweerder] bij herhaling is aangegeven dat hij niet voelde voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst, niet geleid tot constructieve gesprekken over werkhervatting, al dan niet in de vorm van re-integratie. Ook de mediation die uiteindelijk heeft plaatsgevonden, heeft daarin kennelijk geen verandering kunnen brengen.

5.3

Daar komt bij dat er bij [verweerder] een zekere mate van wantrouwen is ontstaan richting de CTT, althans richting een aantal bij CTT werkzame personen. Dat wantrouwen blijkt in de eerste plaats uit het feit dat hij zonder toestemming of mededeling gesprekken heeft opgenomen die hij in februari 2019 heeft gevoerd met onder andere [naam 2] . Uit de door hem (eenzijdig) opgestelde gespreksverslagen blijkt voorts dat hij weinig vertrouwen heeft in [naam 1] . Ook ter zitting heeft [verweerder] de aanwezige [naam 1] meer dan eens uitgemaakt voor leugenaar. Ook heeft [verweerder] CTT in het verzoekschrift weinig gefundeerd beschuldigd van het vervalsen en/of antedateren van documenten. Gelet op dit wantrouwen, en gelet op het feit dat CTT een relatief kleine organisatie is waar [verweerder] organisatorisch direct onder het bestuur functioneert, en [verweerder] ter zitting heeft aangegeven dat als hij terug zou keren [naam 1] ‘maar terug naar Hengelo moet gaan’, staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat een terugkeer van [verweerder] naar de werkvloer van CTT niet realistisch te noemen is. De arbeidsverhouding is dusdanig verstoord dat van CTT niet verwacht mag worden dat de arbeidsovereenkomst zal voortduren. Herplaatsing ligt, gelet op de verstoring en de hiervoor genoemde beperkte omvang van de organisatie, evenmin in de rede. De arbeidsovereenkomst zal daarom, met inachtneming van de opzegtermijn van één maand, worden ontbonden per 1 februari 2020.

Dat er met de opzegtermijn geen rekening gehouden moet worden, omdat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] , zoals CTT heeft aangevoerd, is namelijk onjuist. Zoals hierboven is overwogen, is de verstoring ingezet door CTT die vanaf 8 november 2018 alleen maar heeft ingezet op het einde van de het dienstverband, waar [verweerder] tegen heeft geageerd. Dit levert geen ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer op.

Transitievergoeding

5.4

Nu de arbeidsovereenkomst op verzoek van CTT eindigt, is CTT aan [verweerder] de wettelijke transitievergoeding verschuldigd. De hoogte van het transitievergoeding staat ter discussie nu partijen het niet eens zijn over het momenteel verschuldigde salaris. Het staat vast dat [verweerder] bij aanvang van zijn dienstverband een salaris ontving van € 5.000,- bruto. In 2017 en 2018 is het salaris met 2% verhoogd, gelijk aan de percentages genoemd in de CAO. In mei 2018 is het salaris na onderhandeling tussen partijen nogmaals verhoogd naar € 5.750,- bruto per maand. Aan CTT kan worden toegegeven dat [verweerder] qua salaris niet valt onder de in de CAO omschreven salarisschalen en de verhoging daarvan. De in de CAO genoemde verhogingen zien immers expliciet op de salarisschalen a tot en met h, terwijl [verweerder] een salaris ontvangt dat ruimschoots hoger is dan de hoogste CAO-schaal. [verweerder] kan om die reden niet rechtstreeks op grond van de CAO aanspraak maken op de 3e salarisverhoging.

5.5

CTT heeft echter onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de salarisverhogingen steeds bij het voltallige personeel, en ook bij [verweerder] , zijn toegepast, ook bij de personeelsleden die net als [verweerder] meer verdienden dan de hoogste CAO-schaal. Daarnaast is niet gebleken dat CTT bij het doorvoeren van de twee eerdere salarisverhogingen aan het personeel dat boven CAO-loon verdient, heeft medegedeeld dat de salarisverhoging geen verplichting was, of was gekoppeld aan bepaalde prestaties. Evenmin is medegedeeld dat de betaling geen verplichtingen zou scheppen voor de overige in de CAO genoemde salarisverhogingen en ook is gesteld noch gebleken dat met de salarisverhoging in mei 2018 alle toekomstige CAO verhogingen niet meer zouden worden doorgevoerd. Deze omstandigheden tezamen maken dat [verweerder] gerechtvaardigd mocht verwachten dat CTT ook de derde in de CAO genoemde loonsverhoging op het salaris van [verweerder] zou toepassen. De conclusie is dan ook dat het salaris van [verweerder] met ingang van 1 januari 2019 € 5.865,- bruto per maand bedraagt en dat de transitievergoeding aan de hand van dat salaris dient te worden berekend. Ook de bonus dient (zoals hieronder zal worden overwogen) te worden aangemerkt als salaris en bij de berekening van de transitievergoeding te worden meegenomen. Nu CTT niet betwist heeft dat de transitievergoeding in dat geval € 7.800,45 bedraagt, zal dit bedrag worden toegewezen. Ook de rente wordt als niet betwist toegewezen vanaf één maand na het einde van de arbeidsovereenkomst, derhalve 1 maart 2020.

Billijke vergoeding

5.6

[verweerder] heeft naast de transitievergoeding aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding. Hiertoe dient te worden beoordeeld of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van CTT. Van doorslaggevend belang is in dit kader dat onvoldoende is gebleken dat op 8 november 2018 al sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. Zowel voorafgaand aan het gesprek, zo blijkt uit de onder 2.9 weergegeven brief, als tijdens het gesprek op 8 november 2018, was de intentie van CTT om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. De reden die CTT daar destijds voor aangaf was dat [verweerder] meermaals zou hebben aangegeven CTT te willen verlaten, hetgeen [verweerder] , al vóór het betreffende gesprek heeft weersproken. In het verzoekschrift heeft CTT daaraan toegevoegd dat nog geen jaar na aanvang van het dienstverband zou zijn gebleken dat CTT en [verweerder] ernstig van mening verschillen over het binnen CTT te voeren beleid, maar die stelling is door CTT niet geconcretiseerd. CTT wijst daarnaast nog op klachten van de belangrijkste opdrachtgever van CTT, PCC. Uit de als productie 2a overlegde brief van PCC aan het bestuur van PCC blijkt dat er bij PCC enige onvrede bestond over de rol van [verweerder] bij CTT. Los van de vraag wat zich precies heeft afgespeeld op 28 juli 2018 - welke datum concreet wordt genoemd als datum waarop [verweerder] zich volgens PCC klachtwaardig zou hebben gedragen - had het voor de hand gelegen om hierover met [verweerder] in gesprek te gaan. Hetzelfde geldt voor de evidente frictie tussen [verweerder] en [naam 1] zoals volgt uit de bij het verzoekschrift overlegde e-mailcorrespondentie (producties 2c tot en met 2e). Hoewel ter zitting door CTT is gesteld dat er wel gesprekken hebben plaatsgevonden, ontbreekt ook op dit punt concrete onderbouwing. In plaats daarvan heeft CTT direct aangestuurd op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en is zij ook in de periode nadien niet bereid geweest om over een andere oplossing na te denken dan een beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

5.7

Daar komt bij dat CTT nimmer getracht heeft [verweerder] te re-integreren in zijn eigen werk en [verweerder] ook na dat hij weer arbeidsgeschikt was, niet meer heeft toegelaten tot zijn werk. Sterker nog, CTT heeft de toegang van [verweerder] tot de systemen geblokkeerd en delen van het salaris zonder goede reden niet uitbetaald. Een verstoorde arbeidsverhouding werd daardoor onvermijdelijk.

5.8

De hoogte van de billijke vergoeding dient te worden bepaald op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de bijzondere omstandigheden van het geval. Zoals de Hoge Raad in zijn uitspraak van 30 juni 2017 inzake New Hairstyle (ECLI:NL:HR:2017:1187) heeft overwogen gaat het er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever. Bij het vaststellen van de vergoeding komt het aan op alle omstandigheden van het geval. [verweerder] heeft een bedrag van € 561.632,40 gevorderd, welke bedrag gelijk is aan het bedrag dat CTT aan [verweerder] verschuldigd zou zijn indien hij tot aan zijn pensioen bij CTT in dienst zou zijn gebleven. Hoewel aan [verweerder] kan worden toegegeven dat zijn leeftijd een rol zou spelen bij het vinden van een nieuwe baan, leidt dat nog niet tot de conclusie dat CTT het volledige inkomensverlies tot aan de pensioendatum van [verweerder] zou moeten compenseren. In de eerste plaats speelt in dit verband een rol dat [verweerder] aanspraak kan maken op een WW-uitkering, die in ieder geval een gedeelte van het inkomensverlies zou opvangen. Daarnaast ontvangt [verweerder] een transitievergoeding. Ook speelt de korte duur van het dienstverband een rol alsmede het feit dat [verweerder] inmiddels met behoud van salaris geruime tijd niet heeft gewerkt. Hoewel [verweerder] heeft betoogd dat hij tot aan zijn pensioen bij CTT zou zijn gebleven, is dat, gelet op de zienswijze van CTT op de positie van [verweerder] binnen het bedrijf en hetgeen onder 5.3 is overwogen niet evident. Het vinden van een nieuwe baan zal, gelet op de leeftijd van [verweerder] wellicht niet heel eenvoudig zijn, maar ook niet onmogelijk nu hij bij CTT ook pas op latere leeftijd is gestart. Alle deze omstandigheden in aanmerking nemende zal de billijke vergoeding worden bepaald op € 100.000,- bruto. De wettelijke rente daarover wordt als niet betwist eveneens toegewezen vanaf 1 maart 2020.

5.9

Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal CTT gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek tot ontbinding in te trekken vóór 17 januari 2020.

Achterstallig salaris

5.10

Ten aanzien van de nevenvorderingen heeft te gelden dat zij verband houden met het einde van het dienstverband, zodat zij thans in deze bodemprocedure behandeld kunnen worden. Bij een toewijzing in kort geding bestaat dan geen belang meer, zodat de vorderingen voor zover in deze procedure behandeld, in die procedure bij gebrek aan belang zullen worden afgewezen.

5.11

[verweerder] heeft verzocht CTT te veroordelen tot het betalen van achterstallig salaris, bestaande uit de niet toegepaste 2% loonsverhoging per 1 januari 2019. Nu hiervoor al is geoordeeld dat CTT deze loonsverhoging ten onrechte niet heeft toegepast, is het verzoek toewijsbaar, inclusief de niet weersproken wettelijke verhoging en wettelijke rente op de wijze zoals hierna is toegewezen. De wettelijke verhoging zal worden gemaximeerd tot 10% van het totaal verschuldigde bedrag.

Ingehouden salaris

5.12

CTT heeft in september 2019 een bedrag van € 61,54 ingehouden op het loon van [verweerder] . Volgens CTT betreft dit bedrag door [verweerder] gemaakte benzinekosten voor privégebruik in het buitenland, welke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ter zitting heeft CTT niet, althans niet gemotiveerd bestreden dat ook privétankbeurten steeds vergoed zijn. In het bedrijfsreglement staat weliswaar dat bij privégebruik in het buitenland onderweg moet worden getankt - en niet, zoals in Nederland, in beginsel bij de terminals van CTT - maar niet dat de kosten daarvan voor eigen rekening komen. Dat bedrag is dan ook ten onrechte in minder gebracht op het loon van [verweerder] en CTT zal worden veroordeeld om het ingehouden bedrag alsnog te betalen.

Bonus

5.13

[verweerder] maakt tot slot aanspraak op de bonus van drie maandsalarissen die betrekking heeft op 2019, zoals omschreven in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst. CTT heeft zich op het standpunt gesteld dat zij vanwege het uitblijven van resultaten in 2019 geen aanleiding heeft gezien een bonus aan [verweerder] uit te keren en heeft daartoe verwezen naar de inhoud van de voorafgaande aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst gestuurde brief waarin CTT, voor zover relevant aan [verweerder] heeft gemeld:

‘Beste [verweerder] ,

Naar aanleiding van ons gesprek hebben wij een positieve indruk van jou gekregen, waardoor wij jou graag een contract voor onbepaalde tijd willen aanbieden. Wij vinden dat je een goede aanvulling bent in ons team. (…)

Daarnaast bieden wij je een bonusregeling van drie bruto maandsalarissen aan, welke wij in oktober van het lopende jaar uitkeren. Na verloop van tijd kunnen we kijken of we deze bonusregeling aan moeten passen aan de hand van de geboekte resultaten. (...)

We hopen je hiermee en passende aanbieding te hebben gedaan en zien je reactie met belangstelling tegemoet. (…)’

5.14

Anders dan CTT is de kantonrechter van oordeel dat de inhoud van deze brief niet als integraal onderdeel van de arbeidsovereenkomst kan worden aangemerkt, maar slechts als aanbod dat uiteindelijk heeft geleid tot een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Hetgeen uiteindelijk in de arbeidsovereenkomst is opgenomen, kan niet anders worden beschouwd dan een onvoorwaardelijke verplichting van de werkgever om jaarlijks een bonus van drie maandsalarissen uit te keren. Overigens zou de brief, voor zover deze al wel als onderdeel van de arbeidsovereenkomst zou moeten worden aangemerkt, hieraan niet afdoen omdat het voorbehoud dat daarin wordt gemaakt geen vrijbrief voor CTT is om de bonus naar believen uit te keren of in te trekken. De conclusie is dan ook dat CTT aan [verweerder] een bedrag verschuldigd is van drie maandsalarissen, zijnde in totaal € 17.595,- bruto. De verzochte en niet weersproken wettelijke verhoging en de wettelijke rente over dit bedrag zullen worden toegewezen met dien verstande dat de wettelijke verhoging zal worden gemaximeerd tot 10% van het totaal verschuldigde bedrag.

Proceskosten

5.15

CTT zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op € 721,- aan salaris gemachtigde. Ook bij intrekking zal CTT de proceskosten van [verweerder] moeten betalen. De proceskosten van de werknemer zullen in dat geval eveneens worden vastgesteld op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde.

6. De beslissing

De kantonrechter:

Voor het geval de werkgever het verzoek tot ontbinding vóór 17 januari 2020 intrekt:

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen het achterstallig loon vanwege het niet toepassen van de loonsverhoging van 2% vanaf 1 januari 2019 tot aan het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 van 10% voor zover het loon te laat is voldaan, alsmede met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke dat van opeisbaarheid van het salaris tot aan de dag van voldoening;

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen het bedrag van € 61,54 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 oktober 2019 tot aan de dag van voldoening;

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen de bonus van € 17.595,00 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 van 10% alsmede met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 november 2019 tot aan de dag van voldoening;

  • veroordeelt CTT in de proceskosten van [verweerder] tot aan deze uitspraak begroot op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde;

  • verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Voor het geval de werkgever het verzoek niet vóór 17 januari 2020 intrekt:

  • ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 februari 2020;

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen de wettelijke transitie vergoeding ad € 7.800,45, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 maart 2020 tot aan de datum van voldoening;

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen een bedrag van € 100.000,- bruto aan billijke vergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 maart 2020 tot aan de datum van voldoening;

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen het achterstallig loon vanwege het niet toepassen van de loonsverhoging van 2% vanaf 1 januari 2019 tot 1 februari 2020 vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 van 10% alsmede met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke dat van opeisbaarheid van het salaris tot aan de dag van voldoening;

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen het bedrag van € 61,54 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 oktober 2019 tot aan de dag van voldoening;

  • veroordeelt CTT om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verweerder] te voldoen de bonus van € 17.595,00 bruto vermeerderd met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 van 10% alsmede met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 november 2019 tot aan de dag van voldoening;

  • veroordeelt CTT in de proceskosten van [verweerder] tot aan deze uitspraak begroot op € 721,00 aan salaris voor de gemachtigde;

  • wijst af het meer of anders gevorderde en verklaart deze beschikking wat de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Verkerk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31945

Cliënt
Tevredenheid

 

Wij horen graag wat onze verbeterpunten zijn. De beoordelingen door onze cliënten zijn daarom van onschatbare waarde.

Meewerken aan ons cliënt tevredenheidsonderzoek is niet verplicht. Wel stellen wij uw mening zeer op prijs.

9,5
71 beoordelingen

Gratis
Inloopspreekuur


Elke dag tussen 14.00 en 15.00 bent u welkom op ons gratis inloopspreekuur.



U kunt op deze tijden langskomen zonder afspraak. Bezoekers worden geholpen op volgorde van binnenkomst.

Wij zijn gevestigd in Rotterdam op de Kop van Zuid aan het Halfrond 86.

Stel uw vraag

Wij helpen u graag.