RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 22/5775, ROT 22/6191 en ROT 22/6320

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 april 2023 in de zaken tussen

[naam eiseres 1] , eiseres 1,

(gemachtigde: mr. S.C. Scheermeijer),

[naam eiseres 2] , eiseres 2,

[naam eiseres 3] , eiseres 3,

(gemachtigde: mr. J. van den Ende),

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

(gemachtigden: mrs. [naam gemachtigde 1] en [naam gemachtigde 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseressen tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op:

- het verzoek van eiseres 1 tot herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag;

- het bezwaar van eiseres 2 tegen de beschikking van verweerder van 16 november 2021 over de integrale herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag over de jaren 2005, 2007 tot en met 2009 en 2018;

- het bezwaar van eiseres 3 tegen de beschikking van verweerder van 16 juni 2022 waarin na een eerste toets eiseres 3 geen recht heeft op € 30.000,- van de Catshuisregeling.

2. De rechtbank heeft de beroepen op 20 april 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres 1, mr. S.C. Scheermeijer deelgenomen. Hij is ook de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseressen 2 en 3. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak gaat over het niet tijdig beslissen door verweerder in zaken over de integrale herbeoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag en bezwaren tegen beslissingen daarover.

Op 14 april 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland daarover een uitspraak gedaan, ECLI:NL:RBMNE:2023:1702. Hierin heeft de rechtbank verweerder veel meer tijd gegeven dan eerst in alle procedures over het niet tijdig beslissen: namelijk tot 1 juli 2024.

Naar aanleiding daarvan heeft deze rechtbank de zaken die in deze uitspraak worden afgedaan geselecteerd voor een behandeling op een zitting van een meervoudige kamer.

Algemeen

4. Voor gedupeerde ouders zijn er verschillende regelingen tot stand gekomen om hen financieel te compenseren. Na een melding bij verweerder, volgt er een eerste toets waarin wordt beoordeeld of iemand recht heeft op € 30.000,- van de Casthuisregeling.

Na deze eerste toets kan in de integrale beoordeling worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van een compensatieregeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij een verzoek om aanvullende compensatie doen bij de commissie werkelijke schade.

Over de uitkomsten van deze beoordelingen kunnen de ouders een juridische procedure starten. Als in die procedures door verweerder niet binnen de daarvoor geldende termijnen wordt beslist, kan een beroep bij de rechtbank worden ingediend wegens het niet tijdig beslissen. De artikelen 8:55b tot en met 8:55f van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn daarop van toepassing.

5. Op dit moment hanteert de rechtbank in uitspraken op beroepen wegens het niet tijdig beslissen, voor de termijn die verweerder krijgt om alsnog te beslissen, de lijn dat in die gevallen sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat afgeweken moet worden van de standaardtermijn van twee weken, zoals deze in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is opgenomen.

Verweerder moet binnen een termijn van twaalf weken na de datum van het verweerschrift alsnog een beslissing bekend maken. In de situatie dat na het indienen van het verweerschrift tot aan de datum van de uitspraak van de rechtbank meer dan twaalf weken zijn verstreken, houdt de rechtbank als lijn aan dat zij ondanks de bijzondere omstandigheden, geen aanleiding ziet om op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb af te wijken van de standaardtermijn van twee weken (bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 5 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7589).

6. Anders dan rechtbank Midden-Nederland ziet de rechtbank geen aanleiding deze lijn te wijzigen.

De wettelijke bepalingen over beroepen tegen het niet tijdig beslissen zijn er om verweerder een prikkel te geven alsnog (snel) te beslissen op een aanvraag of bezwaar. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, moet de nadere termijn die aan verweerder wordt gegeven niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort zijn (bijvoorbeeld de uitspraak van 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2346, r.o. 10.7).

Uit de 13de voortgangsrapportage hersteloperatie toeslagen blijkt dat bij integrale beoordelingen verweerder in 57 % van de gevallen binnen de door de rechtbank gegeven nadere termijn beslist. Bij een bezwaar is dit 35 %, maar ter zitting is daaraan toegevoegd dat het verweerder in een groot aantal gevallen lukt om binnen korte tijd na het verstrijken van de nadere termijn alsnog te beslissen op een bezwaar of integrale herbeoordeling. Verder worden er, zo is ter zitting gebleken, vrijwel geen opeenvolgende beroepen tegen niet tijdig beslissen in eenzelfde procedure ingesteld.

De rechtbank leidt hieruit af dat de prikkel van een nadere termijn van twaalf weken na het verweerschrift afdoende werkt en dat de gegeven nadere termijn dus niet onnodig lang en ook niet onrealistisch kort is.

Daarnaast is de rechtbank er, mede gelet op hetgeen ter zitting is besproken, niet van overtuigd geraakt dat verweerder door het verlengen van de termijn, het principe van "first in first out” kan herstellen.

Mede gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het niet haar taak is om actie te ondernemen tegen het structureel niet halen van de wettelijke termijnen voor de integrale beoordelingen en het afdoen van de bezwaren. Dit is een taak voor de politiek en blijkbaar heeft de Tweede Kamer geen aanleiding gezien om in te grijpen in de lengte van de termijnen, ondanks dat uit alle voortgangsrapportages blijkt dat de wettelijke beslistermijnen structureel niet gehaald worden en onrealistisch waren.

De beoordeling in de zaak van [naam eiseres 1] , eiseres 1 (ROT 22/5775).

7. Eiseres 1 wacht op een beslissing over haar integrale beoordeling. Het verloop van de beoordeling is bij haar als volgt:

- Op 5 januari 2021 meldt zij zich met het verzoek tot een herbeoordeling;

- Bij beslissing van 17 maart 2021 heeft eiseres 1 € 30.000,- toegekend gekregen in het kader van de Catshuisregeling;

- Op 1 juli 2021 wordt de beslistermijn voor de integrale herbeoordeling verlengd met zes maanden;

- Op 28 juni 2022 stuurt zij een ingebrekestelling;

- Op 1 oktober 2022 heeft verweerder beslist dat zij het maximale bedrag van de bestuurlijke dwangsom vanwege niet tijdig beslissen krijgt;

- Op 1 december 2022 heeft zij een beroep tegen het niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingediend;

- Bij besluit van 27 maart 2023 ontvangt zij de beslissing over haar verzoek tot herbeoordeling.

De rechtbank was er tijdens het plannen van de zitting op 20 april niet van op de hoogte dat verweerder op 27 maart 2023 al een besluit over de integrale herbeoordeling van eiseres 1 heeft genomen.

Eiseres 1 heeft hiermee bereikt wat zij met haar beroep vanwege niet tijdig beslissen wilde bereiken. Omdat de bestuurlijke dwangsom ook al is vastgesteld, heeft zij nu geen belang meer bij deze procedure.

8. Dit betekent dat het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is.

De rechtbank zal nog aan eiseres 1 vragen of zij het eens is met de beslissing in de herbeoordeling. Zo niet, dan zal de rechtbank de inhoudelijke beoordeling hiervan op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb voortzetten.

9. Op het moment dat eiseres 1 de procedure startte, was verweerder in gebreke met het nemen van een besluit. Daarom moet verweerder het door eiseres 1 betaalde griffierecht vergoeden en krijgt zij een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert twee punten op (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor de aanwezigheid op de zitting, met een waarde per punt van € 837,-). Omdat deze zaak door de rechtbank is geselecteerd voor verwijzing naar de meervoudige kamer, hanteert zij wegingsfactor 1, in plaats van de normaal voor dit soort zaken gebruikte wegingsfactor 0,5.

De proceskostenvergoeding komt dan op € 1.674,-.

Omdat in de drie zaken die op zitting behandeld zijn sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, geldt deze vergoeding voor de drie zaken samen. Dit betekent dat eiseres 1 een bedrag van € 558,- aan proceskostenvergoeding ontvangt.

10. Eiseres 1 heeft verder een verzoek tot het toekennen van een schadevergoeding gedaan, omdat de termijn voor het doen van een uitspraak door de rechtbank uit artikel 8:55b, eerste lid Awb, is overschreden.

10.1

Op grond van artikel 8:55b van de Awb doet de bestuursrechter – indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit – binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54, tenzij de bestuursrechter een onderzoek ter zitting nodig acht.

10.2

Anders dan eiseres 1 betoogt is deze termijn in de jurisprudentie niet onder het bereik van artikel 8:88 van de Awb gebracht. Wel is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden onder het bereik van artikel 8:88 Awb gebracht, maar dat is een andere beoordeling dan een rechterlijke termijn verbonden aan een bepaald soort uitspraak.

Maar zelfs als de rechtbank wel zou kunnen oordelen over dit verzoek tot schadevergoeding, dan geldt dat de termijn van acht weken als bedoeld in artikel 8:55b, eerste lid, van de Awb een termijn van orde is. Dat betekent onder meer dat overschrijding daarvan niet leidt tot een recht op schadevergoeding (vergelijk rechtsoverweging 9 uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1669 en rechtsoverweging 4.2 uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:237).

10.4

De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding daarom afwijzen.

De beoordeling in de zaak van [naam eiseres 2] , eiseres 2 (ROT 22/6191).

11. Eiseres 2 wacht op een beslissing op bezwaar over haar integrale beoordeling. Het verloop van de beoordeling is bij haar als volgt:

- Op 19 maart 2021 meldt zij zich met het verzoek tot een herbeoordeling;

- In het besluit van 19 november 2021 is aan eiseres 2 over de jaren 2005, 2007 tot en met 2009 en 2018 compensatie toegekend van € 36.623,-;

- 20 mei 2022 maakt zij hiertegen bezwaar;

- Op 8 juni 2022 krijgt zij een brief van verweerder waarin staat dat haar bezwaar op 25 mei 2022 is ontvangen. Hierin staat verder dat zij voor 4 mei 2022 een reactie op haar bezwaarzal krijgen;

- Op 28 november 2022 stuurt zij een ingebrekestelling.

12. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres 2 heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken verstreken. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar.

13. De dwangsomregeling als bedoeld in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb is in deze zaak van toepassing. Verweerder erkent dat de maximale dwangsom verbeurd is, maar heeft nog geen dwangsombeschikking afgegeven. De rechtbank zal daarom met toepassing van artikel 8:55c van de Awb de dwangsom vaststellen op € 1.442,-.

14. Omdat verweerder nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen, binnen een termijn van twaalf weken, die is gaan lopen na de indiening van het verweerschrift op 6 februari 2023.

Omdat van deze termijn op het moment van de uitspraak ongeveer elf weken zijn verstreken, geldt de standaard termijn van twee weken van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.

15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn twee weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op van € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.

16. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet het door eiseres 2 betaalde griffierecht vergoeden.

17. Verweerder moet ook de proceskosten van eiseres 2 vergoeden. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert twee punten op (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor de aanwezigheid op de zitting, met een waarde per punt van € 837,-). Omdat deze zaak door de rechtbank is geselecteerd voor verwijzing naar de meervoudige kamer, hanteert zij wegingsfactor 1, in plaats van de normaal voor dit soort zaken gebruikte wegingsfactor 0,5.

De proceskostenvergoeding komt dan op € 1.674,-.

Omdat in de drie zaken die op zitting behandeld zijn sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, geldt deze vergoeding voor de drie zaken samen. Dit betekent dat eiseres 2 een bedrag van € 558,- aan proceskostenvergoeding ontvangt.

De beoordeling in de zaak van [naam eiseres 3] , eiseres 3 (ROT 22/6320).

18. Eiseres 3 wacht op een beslissing op haar bezwaar tegen het niet toekennen van € 30.000,- na de lichte toets (Casthuisregeling).

Het verloop van de beoordeling is bij eiseres 3 als volgt:

- Zij heeft zich gemeld met het verzoek tot een herbeoordeling;

- Bij besluit van 16 juni 2022 is aan eiseres 3 medegedeeld dat zij na een lichte toets geen recht heeft op € 30.000,- van de Casthuisregeling.;

- Op 29 juni 2022 maakt zij bezwaar hiertegen;

- Op 14 juli 2022 krijgt zij een brief van verweerder waarin staat dat haar bezwaar op 1 juli 2022 is ontvangen. Hierin staat verder dat eiseres 3 voor 1 december 2022 een reactie op haar bezwaar zal krijgen.

- Op 7 december 2022 stuurt zij een ingebrekestelling;

- Op 15 februari 2023 heeft verweerder beslist dat zij het maximale bedrag van de bestuurlijke dwangsom vanwege niet tijdig beslissen krijgt.

19. Niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres 3 heeft verweerder in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door verweerder zijn meer dan twee weken verstreken. Niet gebleken is dat verweerder alsnog heeft beslist op het bezwaar.

20. Omdat aan eiseres 3 op 15 februari 2023 al een dwangsom is toegekend van € 1.442,-, zoals door eiseres verzocht, hoeft de rechtbank de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet meer vast te stellen.

21. Omdat verweerder nog geen besluit op het bezwaar heeft genomen, bepaalt de rechtbank verder dat verweerder dit alsnog moet doen, binnen een termijn van twaalf weken, die is gaan lopen na de indiening van het verweerschrift op 17 januari 2023.

Omdat deze termijn op het moment van de uitspraak al is verstreken, geldt de standaard termijn van twee weken van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.

22. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij de termijn twee weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op van € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-.

23. Het beroep is dus gegrond. Verweerder moet ook het door eiseres 3 betaalde griffierecht vergoeden.

24. Verweerder moet ook de proceskosten van eiseres 3 vergoeden. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert twee punten op (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor de aanwezigheid op de zitting, met een waarde per punt van € 837,-). Omdat deze zaak door de rechtbank is geselecteerd voor verwijzing naar de meervoudige kamer, hanteert zij wegingsfactor 1, in plaats van de normaal voor dit soort zaken gebruikte wegingsfactor 0,5.

De proceskostenvergoeding komt dan op € 1.674,-.

Omdat in de drie zaken die op zitting behandeld zijn sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, geldt deze vergoeding voor de drie zaken samen. Dit betekent dat eiseres 3 een bedrag van € 558,- aan proceskostenvergoeding ontvangt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep van eiseres 1 voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek om schadevergoeding van eiseres 1 af;

- verklaart het beroep van eiseres 2 en 3 gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit in de zaken van eiseres 2 en 3;

- stelt de door verweerder aan eiseres 2 reeds verbeurde en te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;

- draagt verweerder in de zaken van eiseres 2 en 3 op binnen twee weken na verzending van het afschrift van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres 2 en 3 een dwangsom van € 100,- moet betalen voorelke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres 1, 2 en 3 het door hen betaalde griffierecht van € 50,- voor ieder van hen vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1, 2 en 3 tot een bedrag van € 558,- voor ieder van hen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzitter, en mrs. E.R. Houweling en N. Boonstra, leden, in aanwezigheid van mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 april 2023.

griffier voorzitter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

13de voortgangsrapportage pagina 21. Kamerstukken II 2022/23, 31 066, nr. 1165

Aanmelden gratis advocaat

U kunt zich bij ons aanmelden voor een gratis die u helpt met alles rondom de kinderopvangtoeslag.