Advocaten

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 juli 2020, 19/4344 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 14 juni 2022

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.C. Scheermeijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant schriftelijk heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2022. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Scheermeijer en [naam] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 28 mei 2002 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) naar de norm van een alleenstaande.

1.2.

Na een anonieme melding dat appellant zou samenwonen en dat zijn vriendin puppy’s zou verkopen is het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Een sociaal rechercheur heeft dossier- en internetonderzoek verricht en heeft diverse organisaties, waaronder [Naam B.V.] B.V. ( [Naam B.V.] ), om gegevens verzocht. Uit de gegevens van [Naam B.V.] is gebleken dat via een [account] van appellant tussen 1 februari 2017 en 31 mei 2018 128 advertenties op [Naam B.V.] zijn geplaatst waarin goederen te koop werden aangeboden. Appellant is op 20 september 2018, 15 november 2018 en 2 januari 2019 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 januari 2019.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 januari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2019 (bestreden besluit), het recht op bijstand van appellant te herzien over de periode van 1 februari 2017 tot en met 31 mei 2018 en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.538,56 terug te vorderen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn verkoopactiviteiten via [Naam B.V.] . Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Herziening (bedoeld: intrekking)

4.1.

De Raad stelt vast, gelet op het teruggevorderde bedrag en de ter zitting door het college gegeven toelichting op het bestreden besluit, dat de besluitvorming er op neer komt dat het college de bijstand heeft ingetrokken over de maanden februari, juli, augustus, september, oktober en december 2017, omdat in die maanden zes of meer advertenties zijn geplaatst en het recht op bijstand in die maanden niet is vast te stellen. Daarnaast heeft het college de bijstand over de maand mei 2018 ingetrokken, omdat in die maand het totale bedrag van de vraagprijzen van ter verkoop aangeboden goederen, waaronder een brommobiel, hoger was dan de bijstandsnorm. De bijstand over de overige maanden is niet herzien of ingetrokken.

4.2.

De vraag is dus of het college de bijstand over de maanden februari, juli, augustus, september, oktober en december 2017 en mei 2018 terecht heeft ingetrokken.

Heeft appellant zijn inlichtingenverplichting geschonden?

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Slechts enkele van de geadverteerde goederen zijn verkocht en daarmee heeft hij slechts enkele tientjes verdiend. Het college heeft niet aangetoond dat de aangeboden goederen daadwerkelijk zijn verkocht en dat appellant daaruit inkomsten heeft verkregen. Bovendien zijn enkele advertenties niet geplaatst door appellant, maar door derden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.3.1.

Voor ontvangers van bijstand is het niet verboden om goederen via internet te verkopen. De voorwaarde is wel dat van die verkopen en van daaruit verkregen inkomsten tijdig melding wordt gemaakt aan de bijstandverlenende instantie. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling hoeft te worden gedaan. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9097).

4.3.2.

Gelet op het aantal van 128 advertenties in vijftien maanden is geen sprake geweest van incidentele verkoop van privégoederen die in beginsel niet gemeld hoeft te worden, maar van handel waarmee appellant inkomsten kon genereren. Dat geldt in ieder geval voor de in 4.2 genoemde maanden waarin meer dan zes advertenties zijn geplaatst of voor een hogere vraagprijs dan de bijstandsnorm aan goederen is aangeboden. Tussen partijen is niet in geschil dat zes advertenties, waarin puppy’s, paard-rijlaarzen en twee keer een kinderwagen worden aangeboden, niet door appellant maar door zijn vriendin zijn geplaatst. Appellant heeft niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd dat ook andere advertenties door derden via zijn account op [Naam B.V.] zijn geplaatst. Het college mocht er dan ook van uit gaan dat appellant verreweg de meeste van de 128 advertenties zelf heeft geplaatst. Anders dan appellant stelt, is voor de vraag of de inlichtingenverplichting is geschonden niet van belang of en zo ja, hoeveel inkomsten appellant uit de marktplaatsadvertenties heeft genoten. Het plaatsen van advertenties op [Naam B.V.] in een omvang die het incidenteel te koop aanbieden van privégoederen overschrijdt is een omstandigheid waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze van invloed zou kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Appellant had daarom die marktplaatsactiviteiten en de daaruit genoten inkomsten redelijkerwijs moeten melden bij het college (zie de uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1213). Door dat niet te doen heeft hij de inlichtingenverplichting geschonden.

Kan een aanvullend recht op bijstand van appellant worden vastgesteld?

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Dit is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3096). Indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door de betrokkene gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, dan is de bijstandverlenende instantie gehouden om, indien mogelijk, schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand heeft, op basis van de vaststaande feiten. Het eventuele nadeel voor de betrokkene dat voortvloeit uit de resterende onzekerheden, komt daarbij wegens schending van de inlichtingenverplichting voor zijn rekening. Vergelijk de uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852.

4.4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld met het overzicht van [Naam B.V.] en de door hemzelf overgelegde gegevens, althans dat het recht op aanvullende bijstand daarmee schattenderwijs kan worden vastgesteld. Appellant heeft door hemzelf opgestelde lijsten overgelegd van door hem verkochte goederen, de daarbij vermelde vraagprijzen op [Naam B.V.] en de gerealiseerde opbrengsten. Daarop heeft appellant aangegeven welke advertenties een herhaling zijn van eerdere advertenties en welke advertenties door anderen zijn geplaatst. Uit dat overzicht vloeit voort dat appellant in de te beoordelen periode € 97,50 aan inkomsten heeft genoten. Als alle advertenties tot verkoop tegen de vraagprijs hebben geleid, zouden de opbrengsten volgens appellant € 1.211,00 bedragen.

4.4.2.

Met het overzicht van marktplaatsadvertenties en de door appellant zelf gemaakte overzichten is het recht op bijstand niet vast te stellen. Het door [Naam B.V.] verstrekte overzicht van advertenties vermeldt alleen de vraagprijs van de aangeboden goederen. Daaruit kan niet worden afgeleid of en voor welk bedrag die goederen zijn verkocht. De door appellant gemaakte lijsten zijn achteraf vastgesteld en komen niet overeen met een overzicht van verkochte goederen dat appellant eerder had gemaakt. De lijsten zijn ook niet onderbouwd met controleerbare stukken, zoals e-mails of berichten van kopers, bankafschriften of betaalbewijzen. Achteraf valt daarom niet te controleren en te verifiëren in hoeverre sprake is geweest van herhaalde advertenties of advertenties voor dezelfde zaken. Tussen partijen is niet in geschil dat zes advertenties door de vriendin van appellant zijn geplaatst. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarnaast nog meer advertenties door anderen zijn geplaatst. Evenmin heeft appellant op controleerbare wijze inzichtelijk gemaakt welke advertenties door [Naam B.V.] zijn verwijderd en welke advertenties niet tot verkoop hebben geleid. Ook de door appellant vermelde verkoopprijzen zijn niet onderbouwd. De overgelegde lijsten kunnen daarom niet worden aangemerkt als een deugdelijke administratie, omdat deze geen volledig en verifieerbaar beeld geven van de verkopen en opbrengsten.

4.4.3.

De beroepsgrond dat het college in dit geval op basis van het door [Naam B.V.] verstrekte overzicht van advertenties het recht op bijstand schattenderwijs kan vaststellen, slaagt wel. Uit dat overzicht blijkt dat appellant hoofdzakelijk gebruikte goederen van relatief geringe waarde aanbood. Het gaat bijvoorbeeld om gebruikte huisraad, oude fietsen, gebruikte dierenbenodigdheden, tweedehands baby- en kinderartikelen, boeken, cd’s en speelgoed. Appellant heeft verklaard dat hij veel van de spullen die hij aanbood bij het grofvuil vond. De goederen werden aangeboden voor vraagprijzen van rond de € 10,- á € 20,- tot maximaal €100,- voor een gebruikte kinderwagen. Gezien de aard van de door appellant aangeboden goederen en de vermelde vraagprijzen is het in dit geval niet aannemelijk dat de aangeboden goederen boven de vraagprijs zijn verkocht. Mogelijk geldt dat wel voor bepaalde goederen, maar het is aannemelijk dat veel goederen juist onder de vraagprijs zijn verkocht, zodat ook aannemelijk is dat de opbrengst van het geheel aan verkopen in ieder geval niet hoger is geweest dan het totaal aan vraagprijzen. In dit geval bood het door [Naam B.V.] verstrekte overzicht van marktplaatsadvertenties daarom voldoende aanknopingspunten om het recht op bijstand aan de hand van de bij die advertenties vermelde vraagprijzen schattenderwijs vast te stellen, zodanig dat de onzekerheid over het verschil tussen de vraagprijzen en de daadwerkelijke verkoopopbrengsten en over mogelijke doublures in de advertenties wegens schending van de inlichtingenverplichting voor rekening van appellant komt. Gelet hierop berust de intrekking van de bijstand van appellant over de acht in 4.2 vermelde maanden in 2017 op een ontoereikende grondslag.

Terugvordering

5. Nu het bestreden besluit voor wat betreft de intrekking niet geheel stand houdt, komt aan de terugvordering ook ten dele de grondslag te ontvallen.

Dringende redenen

6. Appellant heeft aangevoerd dat het college vanwege dringende redenen (geheel) had moeten afzien van terugvordering. Appellant heeft psychische problemen, die door de terugvordering verslechterden en de terugvordering heeft geleid tot een verhoging van zijn medicatie. Dit blijkt uit door appellant overgelegde verklaringen van zijn begeleiders van Pameijer. Volgens appellant zijn deze effecten niet het gevolg van het feit dat geld van appellant teruggevorderd wordt, maar een gevolg van de reden die voor de terugvordering wordt gegeven. Appellant ervaart psychische spanning als gevolg van het feit dat het verwijt dat het college hem maakt in strijd is met zijn eigen overtuiging van wat (in zijn beleving) daadwerkelijk gebeurd is.

6.1.

Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen zal een individuele afweging van alle relevante omstandigheden moeten plaatsvinden. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken.

6.2.

Wat appellant in dit verband heeft aangevoerd, brengt niet mee dat sprake is van onaanvaardbare gevolgen van de terugvordering. Uit de verklaringen van behandelaars van appellant blijkt niet dat de problemen van appellant een direct gevolg zijn van de terugvordering. De beroepsgrond dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien slaagt niet.

Conclusie

7. Uit 4.4.3 en 5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De Raad zal hierna met het oog op een definitieve beslechting van het geschil bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven.

Schattenderwijs vaststellen van een aanvullend recht op bijstand

8. De inkomsten van appellant uit marktplaatsactiviteiten kunnen in dit geval schattenderwijs worden vastgesteld door aan te nemen dat appellant alle goederen uit de advertenties die via zijn account zijn geplaatst voor de daarin genoemde vraagprijzen heeft verkocht, behalve de goederen uit de zes advertenties waarvan tussen partijen niet in geschil is dat die door de vriendin van appellant zijn geplaatst.

8.1.

Bij enkele artikelen is een vraagprijs van € 0,00 vermeld. Gelet op de eenvoudige aard van deze artikelen is er geen aanleiding om aan te nemen dat een verkoop hiervan tot een hoger eindbedrag zou hebben geleid dan voor de overige artikelen in het onderstaande wordt berekend en waarbij ervan wordt uitgegaan dat alle aangeboden artikelen zijn verkocht tegen de vraagprijs.

8.2.

Dit leidt tot de volgende schatting van de inkomsten over de in geschil zijnde maanden in 2017: februari 2017: € 175,-; juli 2017: € 360,-; augustus 2017: € 470,-; september 2017: € 397,50; oktober 2017: € 303,- en december 2017: € 247,50.

8.3.

Dit betekent dat appellant in de in 8.2 genoemde maanden in 2017 recht had op aanvullende bijstand. Het totaal aan vraagprijzen in de maand mei 2018 (€ 1.860,-) is hoger dan de bijstandsnorm, zodat appellant over de maand mei 2018 geen recht had op bijstand en de bijstand over deze maand terecht is ingetrokken. Gelet hierop zal de Raad het besluit van 7 januari 2019 herroepen voor zover hierbij de bijstand over de maanden februari, juli, augustus, september, oktober en december 2017 is ingetrokken en de bijstand over deze maanden herzien vanwege de in 8.2 genoemde bedragen aan inkomsten. De Raad zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.

8.4.

Nu een besluit tot terugvordering ondeelbaar is, en de Raad niet beschikt over de benodigde gegevens om de hoogte van de (bruto-)terugvordering zelf vast te stellen, zal de Raad het college opdragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, voor zover het de terugvordering betreft. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Kosten

9. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze worden begroot op € 1.082,- in bezwaar (2 punten), € 1.518,- in beroep (2 punten) en € 1.518,- in hoger beroep (2 punten) voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 4.118,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 juli 2019;

  • herroept het besluit van 7 januari 2019 voor zover de bijstand is ingetrokken over de maanden februari, juli, augustus, september, oktober en december 2017 en herziet de bijstand over deze maanden vanwege de onder 8.2 genoemde bedragen aan ontvangen inkomsten;

  • bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 17 juli 2019;

  • draagt het college op een nieuw besluit op bezwaar te nemen voor zover het de terugvordering betreft en bepaalt dat tegen het nieuwe besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;

  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 4.118,-;

  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en A.J. Schaap en W.R van der Velde als leden in tegenwoordigheid van J. Oosterveen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2022.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J. Oosterveen

Bijstand

Stel uw vraag

Wij helpen u graag.