Advocaten

Datum uitspraak: 14 mei 2019

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

28 september 2017, 17/1699 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J.E. Stout, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2019. Namens appellant is verschenen mr. N. Roos, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door L. van den Buijs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 4 februari 2016 gemeld om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) aan te vragen. Op 23 maart 2016 heeft appellant het aanvraagformulier ingevuld en ondertekend. Appellant heeft hierbij te kennen gegeven tot en met 11 oktober 2016 voornamelijk bij zijn tante aan de [adres 1] (tante) te (kunnen) verblijven. Van 10 mei 2016 tot en met 31 mei 2016 heeft appellant in detentie verbleven. Sinds 15 juni 2016 stond appellant in de basisregistratie personen (BRP) ingeschreven op voormeld adres (briefadres).

1.2.

Bij besluit van 5 augustus 2016 heeft het college appellant met ingang van 4 februari 2016 bijstand verleend met toepassing van de kostendelersnorm voor twee kostendelende medebewoners. Hierbij heeft het college appellant een zoektermijn voor het vinden van woonruimte opgelegd van 5 augustus 2016 tot en met 11 oktober 2016.

1.3.

Bij brief van 17 oktober 2016 heeft het college appellant verzocht om voor 24 oktober 2016 informatie te verstrekken, waaronder een schriftelijke verklaring over waar hij vanaf 5 augustus 2016 heeft verbleven. Bij e-mail van 21 oktober 2016 heeft appellant verklaard dat hij tot eind september 2016 bij zijn tante heeft verbleven en dat hij sindsdien de helft van de week bij zijn vriendin in [gemeente 1] (vriendin) en meestal drie à vier dagen bij zijn vriend [naam] aan de [adres 2] (vriend) verblijft, en dat hij af en toe nog ergens anders slaapt. Het adres van de vriendin is [adres 3] .

1.4.

Bij brief van 26 oktober 2016 heeft het college appellant verzocht om voor 2 november 2016 nadere informatie te verstrekken over waar hij vanaf eind september 2016 van dag tot dag heeft verbleven en afschriften over te leggen van alle betaal- en spaarrekeningen van 1 september 2016 tot en met 26 oktober 2016, onder vermelding van zijn naam, het rekeningnummer en het huidige saldo (gevraagde gegevens).

1.5.

Bij besluit van 17 november 2016 heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 7 november 2016 opgeschort.

1.6.

Appellant heeft bij e-mail van 21 november 2016 op de in 1.4 genoemde brief gereageerd en nadere informatie verschaft over zijn verblijfplaats(en).

1.7.

Bij besluit van 8 december 2016 heeft het college de bijstand met ingang van 12 oktober 2016 ingetrokken en de over de periode van 12 oktober 2016 tot en met 31 oktober 2016 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 427,78 teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat de onder 1.2 vermelde zoektermijn is verstreken en dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden die aan deze termijn zijn verbonden.

1.8.

Bij besluit van 8 maart 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 17 november 2016 en 8 december 2016 ongegrond verklaard. Hierbij heeft het college de motivering van laatstgenoemd besluit gewijzigd. Aan de besluitvorming, voor zover deze betrekking heeft op de opschorting, heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet de gevraagde gegevens heeft overgelegd. Aan de besluitvorming, voor zover deze betrekking heeft op de intrekking en terugvordering, heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft gemeld dat hij vanaf 12 oktober 2016 zijn woonplaats niet heeft in de gemeente Rotterdam.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en terugvordering, ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep, voor zover dat betrekking heeft op de opschorting, niet-ontvankelijk verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

In geschil is of het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 12 oktober 2016 tot en met 8 december 2016, zijn woonplaats had buiten de gemeente Rotterdam.

4.3.1.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de PW bestaat recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek . Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:105), welke haar gelding heeft behouden na de inwerkingtreding van de PW, is blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 11, eerste lid, van de PW voor het antwoord op de vraag waar iemand woont, bepalend de plaats waar hij werkelijk woont met zijn gezin en waar het centrum van zijn maatschappelijk leven zich bevindt. De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de PW dient dan ook beantwoord te worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.4.

Het college heeft aan zijn standpunt dat appellant in de te beoordelen periode zijn woonplaats buiten de gemeente Rotterdam had, de in de te beoordelen periode door appellant verrichte pinbetalingen ten grondslag gelegd, alsmede de verklaringen van appellant van 21 oktober 2016, 21 november 2016 en 25 november 2016.

4.5.

Appellant voert aan dat zijn pingedrag en zijn verklaringen onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van het college dat hij in de te beoordelen periode zijn woonplaats niet in de gemeente Rotterdam had.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt. Uit het pingedrag van appellant komt naar voren dat hij in de te beoordelen periode slechts op twee dagen en in totaal vijf keer in [gemeente 1] en [gemeente 2] heeft gepind. Uit de verklaringen van appellant komt naar voren dat hij in de te beoordelen periode gedurende de week drie á vier dagen verbleef bij zijn vriendin, maar ook dat hij daarna weer terugkeerde naar zijn vriend in Rotterdam, waar hij drie dagen verbleef. Het college heeft verder geen onderzoek gedaan naar feiten en omstandigheden over de woonplaats van appellant. Zo heeft het college niet onderzocht waar appellant zijn zaken behartigt, waar hij zijn administratie bewaart en waar hij zijn goederen en eigendommen beheert. Daar staat tegenover dat appellant nog steeds zijn post ontving op het briefadres. Ook heeft het college geen onderzoek gedaan naar andere feiten en omstandigheden die van belang zijn voor het vaststellen van de woonplaats van appellant, zoals bijvoorbeeld inschrijvingen bij dienstverleners in de gezondheidszorg. Met de hier geschetste feiten en omstandigheden heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat appellant het centrum van zijn maatschappelijk leven in de te beoordelen periode niet meer in Rotterdam had. Dat appellant drie á vier dagen in de week in [gemeente 2] was, is daarvoor onvoldoende.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het college het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking en terugvordering, niet zorgvuldig heeft voorbereid en dat het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke feitelijke grondslag berust. Het bestreden besluit kan dan ook in zoverre niet in stand blijven. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Opschorting

4.8.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de opschorting, niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

4.9.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en of het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

4.10.

Appellant voert aan dat hij procesbelang heeft behouden bij een oordeel omtrent de rechtmatigheid van het besluit tot opschorting.

4.11.

Deze beroepsgrond slaagt. Gelet op wat onder 4.7 is overwogen, houdt het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de intrekking, in rechte geen stand. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het besluit waarbij het recht op bijstand is opgeschort voor appellant feitelijke betekenis kan hebben. Hieruit volgt dat appellant procesbelang bij een oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de opschorting, heeft behouden. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak kan dan ook in zoverre niet in stand blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dat betrekking heeft op de opschorting, beoordelen.

4.12.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de PW heeft het bijstandverlenend orgaan de bevoegdheid tot opschorting van het recht op bijstand indien de betrokkene de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, of indien de betrokkene anderszins onvoldoende medewerking verleent. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover betrokkene niet binnen de geboden termijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.13.

Niet in geschil is dat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor de vaststelling van de woon- en leefsituatie van appellant en daarmee voor zijn recht op bijstand. Voorts is niet in geschil dat appellant deze gegevens niet binnen de door het college geboden termijn, die liep tot 2 november 2016, heeft overgelegd.

4.14.

Appellant voert aan dat hem geen verwijt van het verzuim kan worden gemaakt. Hij stelt dat het college hem, voordat tot opschorting had mogen worden overgegaan, een nadere hersteltermijn had moeten geven. Hierbij wijst hij erop dat hij tot een kwetsbare groep van (tijdelijk) thuislozen behoort.

4.15.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat appellant niet eerder dan bij e-mail van 21 november 2016 heeft gereageerd op de onder 1.4 genoemde brief van het college. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was om binnen de door het college geboden termijn de gevraagde gegevens te verstrekken. Dat appellant, naar hij stelt, tot een kwetsbare groep van thuislozen behoort, maakt dit niet anders. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats.

4.16.

Uit 4.13 tot en met 4.15 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, eerste lid, van de PW is voldaan. Dit betekent dat het college bevoegd was om met ingang van 7 november 2016 het recht op bijstand van appellant op te schorten. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het bestreden besluit kan dan ook in zoverre in stand blijven.

Conclusies

4.17.

Uit 4.7 en 4.11 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2016 ongegrond is verklaard.

4.18.

Aansluitend moet worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. Mede in aanmerking genomen dat het door het tijdsverloop onaannemelijk is dat het college het geconstateerde gebrek - dat ook aan het besluit van 8 december 2016 kleeft - door middel van een onderzoek naar de woonplaats van appellant in de te beoordelen periode alsnog kan herstellen, ziet de Raad aanleiding om het besluit van 8 december 2016 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 3.072,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 8 maart 2017 voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 8 december 2016 ongegrond is verklaard;

- herroept het besluit van 8 december 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 8 maart 2017;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 3.072,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en G.M.G. Hink en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2019.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) S.H.H. Slaats

Stel uw vraag

Wij helpen u graag.