Advocaten

18 5896 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 26 november 2019

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 november 2018, 18/3327 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van het recht op zitting te worden gehoord. Appellant heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft vervolgens het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 22 augustus 2017 een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering). Hij heeft op 1 november 2017 bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aangevraagd. In het aanvraagformulier heeft hij ingevuld dat hij de bijstand met terugwerkende kracht wil ontvangen vanaf 22 augustus 2017.

1.2.

Bij besluit van 10 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april 2018 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant bijstand toegekend met ingang van 1 november 2017. Het bestreden besluit berust op het standpunt van het college dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat appellant zich heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand en dat er geen reden is om de bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 44, eerste lid, van de PW bepaalt dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Volgens vaste rechtspraak inzake artikel 44 van de PW wordt in beginsel geen bijstand verleend over de periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen - of in voorkomende gevallen- een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2.

In geschil is of appellant in bijzondere omstandigheden als bedoeld in 4.1 verkeerde die rechtvaardigen dat hem met terugwerkende kracht vanaf 22 augustus 2017 bijstand wordt verleend.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat hij eerst het besluit op bezwaar tegen de beëindiging van zijn WW-uitkering heeft afgewacht en zich, toen bleek dat zijn bezwaar bij besluit van 24 oktober 2017 ongegrond was verklaard, direct heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand. Hij was bang dat, als hij wel een WW-uitkering zou krijgen, hij de bijstand zou moeten terugbetalen waardoor hij in financiële problemen zou komen.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is reeds bij brieven van 28 april 2016 en van 18 juli 2017 door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) geïnformeerd dat zijn WW-uitkering, behoudens gewijzigde omstandigheden, met ingang van 22 augustus 2017 zou worden beëindigd. Het Uwv heeft hem in de brief van 18 juli 2017 gewezen op de mogelijkheid van het aanvragen van bijstand. Bij besluit van 18 september 2017 heeft het Uwv hem ervan op de hoogte gesteld dat zijn WW-uitkering per 22 augustus 2017 is stopgezet en dat hij ook geen toeslag meer krijgt. Appellant had vóór 22 augustus 2017, maar in ieder geval binnen vijf dagen nadat het besluit van 18 september 2017 was verzonden, bijstand kunnen aanvragen. Dat appellant er bewust van heeft afgezien om bijstand aan te vragen omdat hij in afwachting was van de afloop van de bezwaarprocedure bij het Uwv tegen de beëindiging van de WW-uitkering kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 44 van de PW (uitspraken van 20 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3819 en van 5 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4215) levert het afwachten van een procedure geen bijzondere omstandigheid op om met terugwerkende kracht bijstand te verlenen. Voorts heeft het college er terecht op gewezen dat ook de vrees voor het moeten terugbetalen van bijstand geen bijzondere omstandigheid is. Indien het bezwaar van appellant tegen de stopzetting van de WW-uitkering ertoe zou hebben geleid dat alsnog een nabetaling van WW-uitkering zou volgen zou deze nabetaling in mindering worden gebracht op de bijstand, maar zou appellant daardoor financieel niet benadeeld worden.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Stehouwer, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2019.

(getekend) A. Stehouwer

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Stel uw vraag

Wij helpen u graag.